Ik ben er klaar mee!

In de ochtend strompel ik naar de meditatiezaal en wacht daar tot dat iedereen geland is op haar kussen. Ik geniet van het ruisen van de bomen en de rust. Maar als iedereen inclusief mijn room mate in de grote zaal gearriveerd is dan is er al een uurtje voorbij. Ik kijk door mijn oogharen of de kust veilig is en smeer ‘m zo onopvallend mogelijk terug naar mijn nest.

Het zal allemaal best hoor dat je veel, heel veel moet mediteren om het beste uit deze tijd te halen, maar weet je, ik heb geen zin meer.
Ik wil met iemand praten, ik wil lachen ik wil contact. Het vroege opstaan: geen probleem. Het redelijk eentonige flauwe maar zeer gezonde eten: geen punt. De spierpijn in knie, nek en schouders: ook te overzien. Maar dat asociale gedrag, dat niet aardig kunnen zijn tegen iemand die het klaarblijkelijk wel nodig heeft, niet even kunnen lachen, niet even kunnen delen hoe ik me voel, niet weten hoe anderen het ervaren, geen hart onder de riem steken of gestoken krijgen.

Ik heb er genoeg van!

En dan is het pas dag drie. Tijdens het ontbijt om 06:30 heb ik geseind in gebarentaal en werd het duidelijk bij mijn clan: ik had aandacht nodig! Na het ontbijt ging ik in plaats van naar mijn bed een rondje lopen op zoek naar contact. Ik voelde me net zo’n man die aan het cruisen was op zo’n ontmoetingsplek of parkeerplaats, desperaat op zoek naar aandacht. Ik keek uit naar mijn vriendinnen en zag ze niet. Alle anderen vertrouwde ik te weinig om er een gebaar mee te wisselen, want wat als het een verklikker was? Dan zou ik mooi de Sjaak zijn. De represailles kende ik nog niet maar soms verdwenen er weleens mensen uit het Vipassanakamp. En omdat we niet met elkaar mochten praten wisten wij niet of dit om vrijwillige verwijdering ging, of niet. Dat hadden ze mooi geregeld, de organisatie van de Vipassana, laat mensen volledig in het ongewisse en niemand maakt stampij. Ik nam geen enkel risico en als ik al voortijdig weg zou gaan dan was IK degene die dit zou beslissen en niet zij. Ik hield het nu bijna niet meer vol. Straks om 08:00 was het weer verplichte meditatietijd waarbij iedereen aanwezig moest zijn, dus ik had nog maar heel even. En toen was ze daar….Jennifer. Vanuit het niets dook ze op vanachter een bosje. We spraken met elkaar en gingen zo staan dat we alle bospaadjes in de gaten konden houden. We fluisterden dat we het erg zwaar hadden. Jennifer kondigde aan dat ze er mee ging stoppen. OMG neeeee dat kon niet waar zijn, wat zou er met mij gebeuren als de groep waar ik me veilig bij voelde uitelkaar zou vallen. Daar kwam ook Ghaty, we wisselden nog heel zachtjes wat gevoelens uit en toen moesten we opbreken. Er kwam een gevaarlijk uitziende Maria look-a-like aan, die er niet uitzag als een nieuwe gang member. Maar wat deed dat me goed zeg, even kletsen. Zij hadden het ook zwaar en zij waren ook met vlagen verdrietig en boos.

Ik had gesproken en ik was er niet rouwig om. Nu was het hek van de dam! Ook Emma (lid van ons groepje) maakte een praatje en onze zeer professioneel uitziende, van origine Indiaanse kleine vriendin sprak ook, zij het zeer beschaamd. Al dat geklets deed voor mijn hoofd niet veel goeds. De gesprekken maalden steeds opnieuw door mijn hoofd. Waardoor ik dus niet toekwam aan het verwerken van en het denken over kwesties waar ik soms al jaren mee zat.

Emma zag als eerste het licht, bij een wc bezoek glipte ze met me mee naar binnen en vertelde me dat het niet persoonlijk was maar dat zij zich nu toch echt even ging distantiëren van de vergaderingen in de bosjes.
Ja, dacht mijn verstand, ze heeft helemaal gelijk. Maar hoe gelijk ze ook had, ik voelde me toch wel een beetje afgewezen. Alles kwam zo hard binnen en waarom had ik andere mensen zo hard nodig? Kon ik dan niet zoals al die anderen gewoon met mezelf bezig zijn en steeds langzamer gaan lopen en doen alsof ik helemaal geen besef meer had van tijd.
Nee het lukt me nog niet, ik was nog niet zover. Vandaag was ik er al helemaal niet voor te porren. Ik ging naar de verplichtte sessies en sliep.

Als klap op de vuurpijl was daar Kabouter Plop. Ik heb het hier over een dame die altijd dezelfde expressie op haar gezicht had. Ze was nooit blij, moe of verveeld (nee zij niet). Sinds het schapenvachtgesprekje dat ik met haar had gehad was ik eigenlijk niet meer bij haar en haar gekleurde pofbroeken in de buurt geweest. En nu liep ze voor me. Ik maakte me al klaar om haar in te halen, want zeker vandaag liep ik sneller dan zij en toen vanuit het niets maakte ze een sprong. Wat deed zij nou zeg!! Dat had ik niet verwacht en waarom…. springt ze nou in de lucht?
Nou nu komt het, er liep blijkbaar een lange colonne mieren over het smalle paadje. Echt waar ik meen het….Die onverstoorbare meisjes-Kabouter Plop sprong daar wis en waarachtig omhoog om een colonne mieren niet te storen en nog erger wellicht te pletten met haar schoen waar nog net geen belletje aan de punt zat.

Dit moest ik even verwerken zeg. Gingen we zover, en keken die dames daarom misschien allemaal naar de grond. Ik kon het wel schudden zeg, want zo serieus had ik het niet genomen hoor.
Voor eventuele muggen had ik een klamboe met spijker en hamer mee. Want doodslaan dat kon natuurlijk niet maar een mier omzeilen door middel van sprongkracht dat had ik niet voorzien.

Als of dit al niet genoeg was werd het tijdens de lunch nog gekker

Iedereen zat op haar eigen tempo te eten. Het eten was het hoogte punt van de dag, want voor de rest had je nergens invloed op. Je werd geleefd en dat moest dan goed voor je zijn. Vandaag geloofde ik er niet meer in.
Het was zomer en er liep een mier, echt 1 mier over de wand. En een van de doorgewinterde Vipassana chicks pakte de mier op en liep naar buiten waar ze de mier vrijliet in de buitenlucht. Nou ja zeg! Nou moet het niet gekker worden hoor.
Wie was zij om te bepalen dat die mier weer naar buiten moest. Wie weet doet die mannetjesmier er al een week over om richting die pot honing in de keuken te komen, was ‘ie er bijna en verstoorde zij zijn missie. Nou het is maar wat je op je geweten wil hebben zeg. Ik kies er in ieder geval niet voor. Leven en laten leven zeg ik altijd maar.